Electrified 02 - Hacking Public Space: poëtische stadschoreografieën
Beeldende kunst en mediakunst vinden elkaar in de publieke ruimte Een interview met de curatoren van Electrified 02, Eva De Groote (Vooruit) en Thibaut Verhoeven (S.M.A.K.)
‘Electrified 02 – Hacking Public Space’ zorgde meer dan twee maanden lang voor subtiele, maar poëtische interventies in de stad Gent. Een man die strak in het pak zomaar gaat liggen op vreemde plaatsen, een Bulgaar die je in ruil voor zwart geld een truc leert, een dakloze die je vanop een dak vraagt om een foto van hem te nemen. Alle acties deden toevallige voorbijgangers even verbaasd opkijken.
‘Electrified’ is de noemer waaronder Kunstencentrum Vooruit en S.M.A.K. op zoek gaan naar een interessante samenwerking. In ‘Electrified 02 – Hacking Public Space’ richtten de kunsthuizen hun vizier op de publieke ruimte. “Toch was dat niet ons uitgangspunt”, zegt Eva De Groote van Vooruit. “We moesten eerst op zoek gaan naar overeenkomsten tussen mediakunst en hedendaagse beeldende kunst, maar ook tussen twee huizen die in dezelfde stad werken, maar een totaal andere dynamiek hebben.”
Thibaut Verhoeven van S.M.A.K.: “Mediakunst is nog niet echt binnengedrongen in de museummuren. Meestal wordt mediakunst in festivals gepresenteerd terwijl musea veel statischer te werk gaan. Het interesseerde mij om eens op een andere manier te werken. De mentaliteit van een kunstencentrum moest de overhand nemen in dit project.”
Hoe zijn jullie bij de publieke ruimte uitgekomen?
Verhoeven: “In brainstormsessies kwamen we tot een lijst van acht woorden die beschrijven wat er gemeenschappelijk is in onze mentaliteit. Dat waren abstracte termen als interactiviteit, efemeriteit, beweeglijkheid. Toen we die woorden hadden, zijn we gaan nadenken: wat kunnen we vanuit onze twee sectoren doen binnen dat gemeenschappelijke kader? Toen Eva me The Yes Men liet zien kreeg ik plots een Aha-Erlebnis. The Yes Men is een Amerikaanse groep politiek activisten die zich voordoen als woordvoerders van belangrijke bedrijven en op conferenties op satirische wijze hun boodschap brengen. In de beeldende kunst heb je sinds de jaren zestig ook een hele geschiedenis van dat soort ‘hacktivisme’. Kunstenaars deden politiek getinte straatperformances. Met de opkomst van de virtuele publieke ruimte zijn veel mediakunstenaars ook gaan hacken, met eenzelfde engagement, maar uiteraard meer gericht op de aard van hun publieke ruimte, het net. Plots zagen we vanuit die geschiedenis heel duidelijk een rode draad opdoemen: de reële of virtuele publieke ruimte als vehikel voor een mentaliteit van hacktivisme.”
De Groote: “Het woord ‘hacken’ komt in de eerste plaats uit de computerwereld. Hacken wordt dikwijls gezien als iets heel negatiefs, maar voor de oorspronkelijke hackers was het eigenlijk iets goedaardigs. Het waren mensen die veel kennis van software hadden en zo konden inbreken in banken en bedrijven. Daar wilden ze niets kwaads mee doen, maar aantonen dat de data van die bedrijven niet veilig zijn.”
Verhoeven: “Vanuit het idee van hacken hebben we beslist om een aantal kunstenaars uit te nodigen om in Gent een live interventie te komen doen, om de stad te hacken. En om die acties te kaderen hebben we een tijdslijn gemaakt: een subjectieve geschiedenis van beeldende kunst en mediakunst in de openbare ruimte. Dat flashbackluik diende als inhoudelijke kapstok voor ons project, maar ook om onze acties geschiedkundig te relativeren. Hacktivisme bestaat al vijftig jaar. We hebben met ons project dus niet het warm water uitgevonden.” “De flashback gaat van 1968 tot 2008. Per jaar hebben we een aantal relevante kunstenaars en werken uitgekozen. Zo kregen we een mooie tijdslijn die vanuit de beeldende kunst overgaat in de mediakunst. In de beeldende kunst hebben we gezocht naar acties die bijna iconisch geworden zijn. Denk daarbij aan Fluxus en de Happening-beweging in de jaren zeventig waarbij beeldende kunstenaars de openbare ruimte op een ludieke manier verstoorden. Of iemand als Bas Jan Ader, die zich liet inspireren door de zwaartekracht, maar ook door zijn volledige, fysieke verdwijning in de publieke ruimte. Voor zijn laatste werk in 1975 wilde hij in zijn eentje met een klein zeilbootje de Atlantische Oceaan oversteken. Hij dacht dat het zestig dagen zou duren. Zes maanden na zijn vertrek werd het wrak van zijn boot teruggevonden, maar Bas Jan Ader leek wel van de aardbol verdwenen.”
Een iconisch werk van Ader is bijvoorbeeld dat hij met een bootje bijna de ultieme publieke ruimte opzocht, de oneindige oceaan, en daarin – letterlijk – in verdwaalde, hij werd immers nooit terug gevonden.”
De Groote: “Voor mij was de tijdslijn een heel goede oplossing voor een belangrijk probleem van de mediakunst. Veel mediakunstwerken zijn heel boeiend en relevant, maar zijn beeldend niet interessant genoeg om in een museum te tonen. Dat soort werken kon ik gemakkelijk in het flashbackluik stoppen.” “We hebben ook één link gemaakt naar het heden, door een werk uit de tijdslijn live te tonen. De bekende Franse mediakunstenaar Christophe Bruno heeft op de openingsavond zijn performance ‘Human Browser’ getoond. Hij is geïnteresseerd in de relatie tussen de virtuele ruimte, kapitalisme en taal. Voor ‘Human Browser’ geeft hij in Google keywords in en via een ‘speech translator’ krijgt een actrice de resultaten van Google meteen te horen in een hoofdtelefoon. Die begint zij te scanderen. Soms krijg je dan pseudo-filosofische uitspraken, maar af en toe zegt ze ook iets als: ‘fuck me please’. Het internet zit uiteraard vol porno. Dat wil Bruno aankaarten.”
Als je de tijdslijn bekijkt, is er dan een evolutie te merken in kunst in de openbare ruimte?
Verhoeven: “De kunstenaars die bij ons een interventie gedaan hebben, werken in een heel andere context dan de kunstenaars uit de jaren zeventig. Het hacktivisme was vroeger heel politiek en tegen het systeem gekant. Nu zijn kunstenaars veel meer geïnteresseerd in een vervreemdingseffect. Uit heel veel van die acties spreekt een soort poëzie, een artistiek antwoord op de alomtegenwoordige onthaasting. Kunstenaars willen toevallige passanten met hun actie heel even uit hun jachtige leventje halen. Dat biedt troost. Miet Warlop heeft bijvoorbeeld een mooie reeks videowerkjes gemaakt die de spirit van Electrified goed vangen. ‘Play the life’, heten die films. In de eerste zien we haar in de auto rijden. Op de radio spelen allemaal melige liefdesliedjes die zij luidkeels meezingt naar de mensen op straat. In een andere video stapt ze uit haar auto om de weg aan iemand te vragen. Wanneer die persoon zijn uitleg begint, bootst Warlop zijn gebaren na zonder dat hij dat doorheeft. Vanuit de verte zie je een mooie choreografie van twee wijzende armen die synchroon de lucht in gaan. Het wordt een stedelijke choreografie, die een bijna lyrisch-relativerende invalshoek biedt op het stedelijke sociale weefsel.”
Als kunstenaars met hun werk troost willen bieden, is het wel belangrijk dat de toevallige voorbijgangers de acties opmerken.
Verhoeven: “Dat klopt, maar veel verwachten de makers niet. Ik denk dat ze op zoek gaan naar één-op-één contact of naar een reactie, maar als ze zien dat voorbijgangers de interventie opmerken en een andere blik in hun ogen krijgen, is dat volgens mij al genoeg. Zo merken ze dat ze – al is het maar heel even – hebben ingebroken in het leven van die persoon.”
De Groote: “En datzelfde effect kun je ook overbrengen naar een groter publiek in een museum. Je hoeft de actie niet zelf tegen te komen op straat. Alle bezoekers van de tentoonstelling hebben bijvoorbeeld ook gezien dat Miet Warlop vanuit haar auto liefdesliedjes heeft gezongen voor de voorbijgangers. Ook de registratie van de actie kan de boodschap van de kunstenaar overbrengen.”
Verhoeven: “Inderdaad, dat merkte ik op tijdens onze rondleidingen. Mensen werden echt geraakt door sommige werken.” “We hebben van alle acties een captatie laten maken. Die video’s waren te zien in de tentoonstelling. Voor ons was dat een heel boeiende manier van presenteren. We zijn het gewoon om een vaste tentoonstelling te hebben van de openingsavond tot de einddatum, een heel statisch gegeven. Electrified was helemaal anders. Op de vernissage was de tentoonstelling niet af. Er stonden monitors in een halve cirkel, maar slechts op twee daarvan was beeld te zien, op alle andere alleen sneeuw. Vanaf het moment dat er een interventie in de stad geweest was, kwam er een video bij in de tentoonstelling. Voor ons was het boeiend om het procesmatige van een tentoonstelling zo fysiek te kunnen tonen.”
De Groote: “Zo wilden wij ook duiden dat het project niet de tentoonstelling alleen was, maar iets dynamisch met acties in de stad. De expo was eigenlijk gewoon een fysiek vehikel waarbinnen die interventies konden gebeuren.”
Bij sommige kunstenaars is de actie het werk en de registratie secundair, bij anderen is de captatie net het werk.
De Groote: “Dat klopt, maar we hebben alles samengebracht en op gelijke voet geplaatst. Voor Miet Warlop en Messieurs Delmotte is de video het werk, voor de geluidskunstenaar Pierre-Laurent Cassière ligt dat helemaal anders. Voor zijn werk ‘Transphere’ trekt hij met twee parabolen de stad in: een microfoon en een speaker. Daarmee verplaatst hij op kleine schaal geluid. Een subtiel effect, waarmee hij mensen wil doen opkijken. Iedereen is gewend aan de dagelijkse ‘urban soundscape’. Hij breekt daarop in en brengt bijvoorbeeld het geluid van een voorbijrijdende tram in een winkel. Op die manier wil hij de soundscape van de publieke ruimte manipuleren. De registratie ervan is voor hem van geen belang. Integendeel, hij wilde niet dat er geluid in de documentatie zat, want dat zou voor hem de magie kapot maken. Die is nooit te vatten op beeld. Het compromis was dat we hem wel mochten filmen, maar dan zonder geluid.”
In de stad Gent waren er tijdens de duur van het project allerlei acties te zien, heeft Electrified ook echt geleefd bij de mensen?
Verhoeven: “Wij wilden niet dat de acties aangekondigd werden door onze communicatiedienst. Hacken gaat in se over ongewenst inpalmen van een bepaalde ruimte, dus is per definitie onaangekondigd. De kans dat je zo’n actie live meemaakte, was dus zeer klein. We vonden: je komt niet naar het project kijken, in het beste geval kom je het tegen. Het moest je overkomen. Dat is net het mooie eraan.”
De Groote: “Wij hebben voor Electrified volop met ‘viral media’ gewerkt. Dat is heel goed gelukt. Er zijn enorm veel reacties gekomen. Het project leefde niet zozeer sterk in de stad, maar wel op het net. Het was vooral een virtueel fenomeen. Een hele hoop bloggers heeft erover geschreven, maar ook in de media verschenen er artikels en foto’s. Zo is er een enorme ‘buzz’ ontstaan en daardoor hadden de mensen wel het gevoel dat ze iets wisten over Electrified. Niet omdat ze zelf een actie hadden gezien, maar door erover te lezen of er een foto van te zien. Voor mij is dat even goed en belangrijk.”
Verhoeven: “Een voorbeeld daarvan is een prachtige foto van de actie van Ben Benaouisse die in De Standaard verschenen is. Benaouisse kroop verkleed als dakloze op een dak en vroeg voorbijgangers om een foto van hem te nemen. Op die manier vangt de kunstenaar de blik van de voorbijganger. De vraag is: hoe kadreert een passant een dakloze man van allochtone origine? Hij stond op het dak, als op een sokkel of een podium. De fotograaf van De Standaard was nog hoger geklommen en maakte een foto waar Benouisse, het dak én de voorbijgangers op staan. Doordat die foto in de krant verscheen, werd de boodschap van de kunstenaar veel ruimer uitgedragen. En hopelijk denken mensen – al is het er maar één – door zulke onverwachte ontmoetingen iets bewuster na over wereld en maatschappij. Het is bijna zoals in de films van ‘The matrix’: eens je het systeem kraakt, kijk je er nooit meer op dezelfde manier naar.”
Door Jozefien Van Beek
